Thera                     teksten Anne lever                                                                                                                         Thera


 versie 28-04-2003

-1-

Ik kon niet staan of lopen, alleen kruipen en zitten. Ik kon ook niet praten. Mijn ouders waren  er. Ze waren jong. Ze behandelden me als een baby. Ze voerden me. Ik verzette me daartegen en wilde ze uitleggen dat dit te belachelijk voor woorden was. Uit mijn mond kwam, tegelijk met een paar bellen, alleen gemurmel. Ik probeerde de lepel te pakken, maar mijn bewegingen waren ongecoördineerd en het eten spatte in het rond. Mijn moeder werd kwaad. Ze riep dat ze me zou vastbinden als het nog een keer gebeurde. Later waren ze weer lief. ‘Meisje toch!’, zei ze een paar keer sussend.

  Het duurde een hele tijd – inmiddels was ik in een roze wieg met veel kant gelegd - voordat het tot me was doorgedrongen dat het lógisch was dat mijn ouders me als baby behandelden. Ik was tot niks méér in staat dan een kind van acht of tien maanden! Dat besef! Het was alsof ik van alle kanten werd gestompt en geslagen. Mijn babygekrijs versterkte de paniek.

  Ineens was het licht aan. Mijn moeder kon me met gemak optillen. Ze legde me op de commode om me te verschonen (mijn protest bestond uit heftig gezwaai met armen en benen). Daarna ging ik terug in de wieg. Ik huilde weer en de speen die ze in mijn mond stopten, duwde ik er meteen weer uit. De enorme borst die mijn moeder tenslotte uit haar décolleté opdiepte, verbijsterde me. Het zuigen en de melk maakten me soezerig. Ondertussen bleef ik vastbesloten om me uit dit babyharnas te bevrijden en weer gewoon mezelf te zijn.

  Het werd eindelijk licht en mijn moeder bracht me naar de badkamer. Heel even zag ik mijzelf in de spiegel boven de wasbak: daar was mijn ouwe kop! Maar mijn ouders zagen beslist heel wat anders. Na het badderen werd ik in de kamer op een kleed gelegd. En wat ik ook deed - op gesprekken tussen mijn ouders reageren met m’n mimiek, letters proberen te schrijven in de lucht, naar de dichtbijgelegen krant schuiven en doen of ik hem las (ik kon helemaal niet meer lezen!) - niets deed in de verste verte volwassen aan, en zeker niet in de ogen van mijn ouders. Na een paar uur moest ik het wel opgeven.

  Toen mijn moeder de volgende morgen binnenkwam en zich over de wieg boog, zag ik hoe haar gezicht opklaarde. Over haar schouder riep ze: ‘Cor! Moet je komen! Vlug! Ze lacht!’. Ze begon te huilen. ‘O, kindje toch!’ Ik bleef lachen. Zojuist had ik het enige besluit genomen dat me uit deze toestand zou kunnen bevrijden. Ik had besloten een wonderkind te worden.

 

-2-

Ik was in een onbekende stad. De straten waren duister en de huizen gebouwd in een stijl die ik nog nooit had gezien. De mensen waren gehuld in merkwaardige kleding en de zinnen die ik opving waren in mijn oren niet meer dan gebrabbel. Het was een stad waar het nooit dag werd. Dat wist ik, al wist ik niet hoe ik het wist. Gelige lantaarns waren hoog boven de straten aan elastische draden gehangen, waardoor ze hevig slingerden in de wind. Eeuwige wind, wist ik. Om de een of andere reden moest ik me haasten, dus liep ik zo snel als ik kon door de straten. De dunne jurk, mijn mooiste jurk, sloeg om de paar seconden tegen mijn benen. Mijn haren – zo lang als ze nooit waren geweest - wapperden in trage golven om mij heen.

  Aanvankelijk passeerden de mensen van de stad mij zonder me aan te kijken. Ze leken me zelfs helemaal niet op te merken, al was ik totaal anders dan zij. Ik vond het prettig. Maar nadat ik zo een half uur door de straten en stegen gedwaald had, begon mijn kennelijke onzichtbaarheid me te benauwen. En plotseling stond ik stil en riep: ‘zien jullie mij niet? Hier ben ik, uit een vreemd land gekomen! Zien jullie mij dan niet? Zie dan tenminste toch mijn schaduw!’

  Meteen stonden er mensen stil. Het licht van de lantaarns werd nog geler, maar de duisternis bleef even diep. De mensen, kleine en donker geklede figuurtjes, keken en riepen en wezen. Sommigen wendden zich af en loerden uit hun ooghoeken alsof ze iets wanstaltigs of angstwekkends zagen. Een kind begon te krijsen. En plotseling zag ik dat ze niet naar mij keken en wezen, maar naar iets achter mij. Ik draaide me om. Achter me, in mijn vormen gevormd en met mijn bewegingen meebewegend stond een jurk in de straat. Het was mijn jurk.

  Hoe kon dit mijn jurk zijn, de jurk die ik… Ik keek naar omlaag, naar mijn lichaam, en tegelijkertijd voelden mijn handen naar de stof. Er was geen stof. Naakt stond ik op straat. Naakt! Nu merkte ik dat het bitterkoud was. De mensen staarden, zonder oog voor mij en mijn naaktheid, naar mijn jurk, die mijn bewegingen kopieerde als een driedimensionale schaduw.

 

 -3-

In de houten kist met de ondoorzichtige glazen wand kon ik zitten, maar niet staan. Op de bodem lag een Perzisch tapijt met daarop enkele bloedrode kussens en een deken in dezelfde kleur, er was een klein lampje en in een hoek lagen allerhande kleine dingen - toiletgerei, make-upspullen, en de complete ‘Op zoek naar de verloren tijd’ van Marcel Proust. Ook stond er een po. Aan één kant was een spiegelwand. Af en toe werd deze wand door een onzichtbare hand een stukje omhooggeschoven: dan werd er een dienblad met eten en een lekkere fles rode wijn naar binnen geschoven, een lampetkan en handdoek met fris water of een schone po. Nooit lukte het me iets te zien van de wereld daarbuiten. Ik had er geen flauw idee van hoe ik in deze doos terecht was gekomen, en ik wist ook niet waar ik was. Vaag herinnerde ik me dat ik in de bergen had gelopen, en dat er ineens een groep mensen was geweest die me had meegevoerd. Een mistige herinnering. Ze hadden me geduwd, dacht ik, maar zeker niet hardhandig.

 Vanuit mijn kist hoorde ik vaak mensen lopen, over een houten vloer, en geanimeerd  met elkaar praten. Er werd veel gelachen. Slechts één keer verstond ik een paar woorden: iemand had het over ‘de tentoonstelling’. Ik was wel ongerust maar om de één of andere reden niet heel angstig. Wat ik heel goed wist, waarom weet ik niet, was dat ze me niet zouden komen ophalen zolang ik maar een beetje ontspannen keek, mezelf goed verzorgde en elegant zat of lag. Ik leidde daaruit af dat ze me door de spiegelwand konden bekijken. Dat ‘ophalen’ was beslist gevaarlijk, verschrikkelijk gevaarlijk, en daarom duizendmaal erger dan hier blijven zitten. Het zou allemaal wel weer eens overgaan, dacht ik. Ja, dacht ik, zo zit ik nu eenmaal in elkaar. 

 Na een paar dagen, of waren het weken?, werd deze vreemde rust wreed verstoord. Ik hoorde stemmen, besteedde er eerst geen aandacht aan. Totdat ik doorkreeg dat ze wel heel dichtbij waren. Een vrouw zei: ‘Het is onze mooiste sfinx. Ze is de kroon op onze verzameling. En ze leeft nog’.

 Ze had het over mij! Ik krijste en schreeuwde, jankte en schopte tegen het glas. Laat me vrij! Even later kwamen ze me halen om me op te zetten.

 

 

-4-

Het bedrijf waarvan ik directeur was, groeide als kool en de winst steeg ieder kwartaal. Mijn personeel was heel terecht meer dan tevreden met me. Ze noemden zichzelf de onderdanen en ze bogen naar me als ze me op de gang tegenkwamen. Everything under control.

 Ineens werd alles anders. Ik was in gesprek met een belangrijke klant, toen mijn vijf mede-aandeelhouders binnenkwamen. Ze liepen recht op mij af en riepen in koor – de klant zat het verbaasd aan te kijken – dat ze het bedrijf gingen verkopen. Ze waren gek geworden! ‘Geen denken aan’, zei ik meteen heel beslist. Wat dachten ze wel. ’En willen jullie ons nu weer alleen laten?’ Ze zwegen. ‘Nou?’, zei ik. Voordat ze zich omdraaiden, grijnsden ze naar me. Eentje stak een duim op. Onderweg naar de deur sloegen ze elkaar op de schouders. Een dag later vertelde Sylvia - één van de vijf - me dat ze een koper hadden, dat de deal zelfs feitelijk al gesloten was. Tegen ‘een zeer goed prijsje’ kon ook ik mijn 25% verkopen, hoewel de nieuwe eigenaar dat geen voorwaarde voor de deal vond. ‘O ja’, voegde kekke Syl er quasi-achteloos aan toe, ‘hij is je geloof ik niet zo welgezind. Als ik jou was zou ik dus maar snel in zee gaan met één van die vele headhunters van je.’ Ik geloofde het niet. Ik was hier de baas en dat zou ik blijven.

 Meteen daarna werd ik door de nieuwe eigenaar in zijn kantoor ontboden. Het was ergens in een kantorenpark aan de rand van de stad. Toen ik de kamer binnenkwam, was het ineens mijn kamer en was ik daar gekomen om gewoon aan het werk te gaan. Maar op mijn stoel zat X., een nitwit die ik erger haat dan wie dan ook. Ik zei dat hij moest ophoepelen. X zei niks, grijnsde alleen en knipte met zijn vingers. Plotseling waren er twee bodyguards, compleet met donkere brillen. Ze pakten me bij m’n armen. Ik probeerde me los te rukken, maar dat werd een machteloos gespartel. Eén van mijn pumps vloog van mijn voeten en dreunde tegen de prullenbak. De mannen bulderden van het lachen. ‘Wees voorzichtig met haar mooie pakje’, riep X ons na. Ik begon te schreeuwen en ik slaagde erin met mijn nagels één van de twee een haal over de rug van zijn hand te geven. De ander sloeg me. Bij de deur gekomen, draaiden ze zich om. X had zijn voeten op mijn notenhouten bureau gelegd. Daar hing ik trappelend en gillend voor zijn ogen! Ik zag hem genieten en probeerde een kalme indruk te maken. Na een eeuwigheid knipte hij weer met de vingers. De mannen marcheerden de kamer uit, mij met zich meesleurend. Al m’n medewerkers stonden in de gang. Twee lange rijen. Wij er tussendoor. In het voorbijgaan applaudisseerden ze! ‘Help me’, riep ik. ‘Jongens, dit kan zo niet. Karin!, Jos!, Josje!’ Ze schaterden. Gijs hield de deur open. ‘Ook gij, Gijs?!’, riep ik woedend.

 Aan de achterkant van het gebouw aangekomen, tilden die kerels me op en smeten me in zo’n grijze  container op wieltjes, boven op een stapel vuilniszakken. ‘Adieu’, riepen ze vrolijk en ze liepen weg. Terwijl ik overeind krabbelde kon ik me niet meer goed houden. Ik jankte en vloekte. Het stonk verschrikkelijk. En de container was plotseling zo groot, dat ik van de vuilniszakken een stapel moest maken en die beklimmen om er uit te kunnen komen. Een paar keer donderde het hele scheurende zaakje om en kwam ik onder en tussen de gore troep terecht. Toen het me dan uiteindelijk gelukt was om de bovenrand te bereiken, zag ik dat de container even hoog was als het kantoor. Vijf verdiepingen! Achter de ramen waren lachende gezichten te zien. Ik zou moeten springen om mezelf te bevrijden. ‘Niet doen, niet doen!’, riep ik tegen mezelf. Maar ik sprong.

 

 

-5-

Het was aardedonker. Het lichaam waarin ik me bevond voelde niet aan als het mijne. Ruggelings lag het op iets wat waarschijnlijk een bed was. ‘Het moét mijn lichaam zijn’, dacht ik steeds. ‘Het moét.’  Maar het lukte me niet dit tot waarheid te maken. Het lichaam was ook lang, veel langer nog dan mijn eigen lichaam. Ik hield mezelf vergeefs voor dat dit effect alleen optrad omdat de armen gestrekt lagen langs het hoofd en de benen gespreid plat op de harde ondergrond. Pas toen ik de druk op gezicht en borsten voelde, begreep ik dat het lichaam ook nog eens onder een strak gespannen laken lag. Aan het zweet dat zich uit de poriën perste al was het niet warm, leidde ik de paniek af die zich van het lichaam - of van mij? - meester had gemaakt.

  Hoe was het mogelijk dat ik na een tijd – uren of toch minuten? - iets kon zien terwijl het lichaam nog steeds onder het laken lag! Veel kon ik trouwens niet onderscheiden: voorbij de voeten zag ik een grijze rechthoek - een raam? - en boven mij zag ik een cirkel die nog donkerder was dan de duisternis daaromheen.

  Zoals ik kon zien terwijl ik onder het laken lag en dus niet kon zien, zo wist ik ook zonder dat ik het werkelijk kon voelen dat dit lichaam ouder was dan het lichaam waaraan ik gewend was. Ik huiverde en het lichaam rilde. Er liep een traan uit het rechteroog. Het lichaam liet me weten - als was ze een mens, veel meer dus dan alleen maar een lichaam los van mij - dat ze daar lag ‘om te versterven’.

  Had ik even geslapen? ‘Hoe kan dat’, dacht ik, ‘als dit een droom is?’ Ik spande de spieren van het lichaam. Was het inmiddels al vel over been, zowat een skelet? In mijzelf voelde ik een mengeling van medelijden met dit machteloze lijf en wanhoop over de hopeloze toestand waarin ik - gevangen in een gevangen lichaam - verkeerde. Ik probeerde de spieren weer te ontspannen.

  Vlak daarop was er een geluid. Kort. Zacht. De eeuwigdurende stilte werd aan flarden gescheurd. Voordat ik weer wat tot rust was gekomen, verstreek er veel tijd. Niet gek worden! Inbeelding was het geweest, de hallucinatie van een lichaam in slechte staat! Niet naar luisteren!

  Het was alsof er boven mij een blad papier ritselde. Alsof er een papier dwarrelde en werd beetgepakt. Nee, het was stof, het was het ruisen van katoen of zijde. Het lichaam beefde, het hart pompte. Iemand was hier. Iemand was aanwezig in deze ruimte.

  Ik keek om me heen, maar om de een of andere reden kon ik het spanlaken niet meer omzeilen. Ik bewoog even het lichaam, lag stil en bewoog toen weer. En plotseling was ik met het lichaam samengevallen! De angst zou nu totaal zijn geworden, als ik niet tegelijkertijd die vreemde kou had gevoeld ter hoogte van m’n rechter­zij. Na iedere beweging kreeg ik kippenvel. Niet onaan­genaam. Alsof er een koele luchtstroom langs me streek. De hele rechterkant van datgene wat nu mijn lichaam moest worden genoemd, was - zo voelde ik het - omgeven door stroming, door een vreemde openheid. Ik wist meteen dat dit mijn redding was. Ik sloot mijn ogen en zag een pulserend licht. Niet fel, eerder grijswit. Er vormde zich een beeld.

  Een vrouw stond naast me. Recht stond ze, stil, zonder woord of beweging of lach. Ze was gekleed in een jurk uit andere tijden: een lijfje, overgaand in een gladder, wijd vallend rokdeel dat tot de enkels reikte. De jurk had nauwe­lijks enige versiering en de kleur leek me gebroken wit. De vrouw had sluik haar dat achter haar hoofd, voor mij onzichtbaar, was samen- of opgebonden. Ze keek naar me en haar ogen zeiden: ‘kom, maak je niet druk.’ Ik wist: deze vrouw, dat was ik zelf.

 

copyright © 2005 Anne Lever. All rights reserved.